|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
|
|
 |
|
 |
|
|
|
 |
Rob Becker
|
 |
|
|
|
 |
Blue Highways is een muziekfestival dat in Nederland enig in zijn soort mag heten: op authentieke wijze wordt hier aandacht geschonken aan het even brede als nauwelijks definieerbare genre ‘Americana’. Alleen artiesten uit de Verenigde Staten en Canada komen spelen en het amalgaam van country, rock, folk komt in al zijn avontuurlijke en oorspronkelijke facetten aan de orde. Vi-fi was er ook.
|
 |
|
|
|
|
 |
Al voor de zesde keer staat een lentezaterdag in het Utrechtse Vredenburg in het teken van de Americana, het stijlenoverschrijdende genre dat is voortgekomen uit de alt.country, wat weer een grootstedelijke, ‘alternatieve’ evolutie was van countryrock en folkrock. Je zou ook kunnen zeggen dat de wortels van de Americana liggen bij de ‘country music with a rock ’n roll attitude’ van Gram Parsons Flying Burrito Brothers. En voor het gemak en vanwege alle mogelijke vermenging die optreedt worden actuele Appalachenmuziek en bluegrass, alsmede hedendaagse folk en singer-songwritermuziek ook onder Americana geschaard. Maar ook popgeoriënteerde artiesten als Ryan Adams en diens voormalige band Whiskeytown, Lucinda Williams of de in Vi-fi #4 nog geïnterviewde Kathleen Edwards.
|
 |
|
|
|
|
 |
Waar het onderscheid ligt, is vaak niet meteen duidelijk. Een zowel in muzikale als tekstuele zin actuele benadering van oorspronkelijke Amerikaanse rootsmuziek, met respect voor het verleden, en instrumentkeuze zijn factoren die meespelen. Maar ook de kenners, zoals in Nederland schrijver, publicist en radiomaker Jan Donkers, OOR-journalist Geert Hendrickx of festivalprogrammeur Antoine Croné hebben lange pagina’s of dito gesprekken nodig om de Americana af te bakenen. En eigenlijk komen ook zij er niet uit. Feit is dat de muziek in Nederland steeds populairder wordt. Dat komt wellicht doordat alternatieve popmuziek en singer-songwriters in ons land goed vallen, maar het Nederlandse publiek had altijd al een zwak voor de tegen country aanleunende popmuziek van artiesten als Crosby Stills en Nash, Jackson Browne, Gram Parsons, The Eagles en noem ze maar op.
|
 |
|
|
|
 |
Dit jaar zijn opnieuw ver uiteen liggende generaties vertegenwoordigd. De Canadese folkzusjes Kate en Anna McGarrigle zijn rond de zestig, ex-Flying Burrito Brother en –Eagles gitarist Bernie Leadon is van 1947 en Tom Russell, één van Amerika’s belangrijkste en beste singer-songwriters, is ook alweer 55. Daartegenover zingt de bevallige Kelly Willis, nu al bestempeld als één van de beste zangeressen van Texas ooit, compleet met country-snik en licht schor door de hooikoorts als gevolg van de lente in Austin. En is er de jonge honden postgrunge-cowpunk-herrie van het trio amper-twintigers Two Cow Garage. Of de aan Nanci Griffith (stem) en Bruce Springsteens ‘Darkness on the edge of town’ (thema’s) aanschurkende ‘smalltown USA’-kronieken van Lori McKenna uit Stoughton, Massachusetts - moeder van vijf kinderen, echtenote van een loodgieter, geboortejaar 1970.
|
 |
|
|
|
|
 |
Son Volt, de onlangs vernieuwde band van de in reguliere popkringen geliefde zanger-gitarist Jay Farrar, is er ook. Farrar leidde samen met Jeff Tweedy vijf jaar lang Uncle Tupelo, de band uit Illinois die wel de grondlegger van de alt.country wordt genoemd en door hun botsende persoonlijkheden uiteenviel en doorleeft in het meer experimentele Wilco en de gruizige rock-Americana van Son Volt.
|
 |
|
|
|
 |
‘Blue Highways’ is vernoemd naar de lokale, kleinere wegen op de Amerikaanse wegenkaarten en het gelijknamige boek waarin de Amerikaanse schrijver William Least Heat Moon de zoektocht naar zijn wortels, per camper door de hele Verenigde Staten beschrijft. Het volgen van de cirkelvormige, wat onoverzichtelijke paden door het Vredenburg theater leidt langs muziekstalletjes (cd’s maar ook veel vinyl!) en twee zalen. Voor het eerst is het festival uitverkocht en dat is te merken. De kleine zaal is in de meeste gevallen nauwelijks toegankelijk. Maar ondanks dat de zaal uitpuilt valt er geen onvertogen woord. De bezoekers van dit festival zijn overwegend kalm en betrokken bij de muziek. Onder het publiek dit jaar meer vrouwen en meer jongeren dan ooit. Cowboyhoeden zijn op één hand te tellen en ‘line dancers’ ontbreken (gelukkig) ook.
|
 |
|
|
|
|
 |
In de grote zaal is plek genoeg, al is die ook vrijwel non-stop volkomen afgevuld. In de catacomben is de sfeer hetzelfde. In de grote artiestenfoyer zoeken musici, intimi, wat pers en veel platenvolk elkaar op als oude vrienden en het Radio 2 programma ‘American Connection’ heeft een mobiele studio opgezet voor een live-uitzending vanaf het festival. Zo valt er van veel artiesten ook nog een klein akoestisch optreden te beluisteren. Opmerkelijk is hoe benaderbaar en pretentieloos de meeste musici zijn. Ze voelen zich erg thuis in Nederland en stellen de belangstelling voor hun muziek, zo ver van huis, enorm op prijs.
|
 |
|
|
|
 |
Het programma biedt zoveel afwisseling dat de tijd tussen de aftrap om 16:00u en de laatste akkoorden van afsluiter Two Cow Garage (The Beatles’ ‘Don’t let me down’ dat zo hard gespeeld wordt dat John Lennon er boven wakker van moet zijn geworden), ‘vliegt’. Slechts één rimpeling verstoort het verloop, wat ook meteen de anekdote van de dag wordt. Kate, de jongste van de folkzusjes McGarrigle (bij de huidige generatie vooral bekend als moeder en tante van de nieuwe popgod Rufus Wainwright (zie Vi-fi #5 2005); voor de ouderen van hun wereldhit ‘Complainte pour St. Catherine’ uit 1976), was te laat. Terugkerend van een bezoek bij haar dochter Martha Wainwright in Parijs strandde ze met de auto in een verkeerschaos van een eerder ongeluk.
|
 |
|
|
|
|
 |
Ze besloot de trein te nemen om op tijd te komen. Bij Gent ging de trein niet verder omdat een trein uit de andere richting op een koe was gebotst. Ze kreeg een lift en kwam uiteindelijk nog op tijd om het concert een paar uur later te geven. Opmerkelijk is wel dat op dit toch al met countrymuziek doorregen festival de muziek gespeeld werd van hun nieuwe cd die luistert naar de titel ‘La vache qui pleure’. Het verdriet is op zijn plaats: het rommelige optreden is niet het beste concert van het festival.
|
 |
|
|
|
 |
Het aangename stemgeluid met heerlijk Texaans accent van Caroline Herring charmeert eerder die dag veel meer. Ook het nukkige, maar gedreven, vol gierende gitaarsoli gespeelde optreden van Son Volt imponeert. En zowel charmant als virtuoos is het bluegrass-optreden van Jim Lauderdale en zijn band. Prachtig hoe dobro-speler Randy Kohrs en fiddle-ist Luke Bella samen met Lauderdale rond één microfoon zingen, en zo volume en dynamiek binnen afzonderlijke zinnen aanpassen door meer of minder afstand te nemen. De ogenschijnlijk recht uit de Appalachen getrokken Elmer Burchett en Jesse Cobb flitsen met snelle vingers over respectievelijk banjo en mandoline, terwijl Bryn Bright, een dame met het voorkomen van een ‘rock chick’ met tattoo, op contrabas het fundament legt.
|
 |
|
|
|
|
 |
De aanzienlijk donkerder dan voorheen klinkende Tom Russell speelt ook een dwingende set. Zijn band, met als kloppend hart Americana-producer en multi-instrumentalist Gurf Morlix op basgitaar, knalt het elektrisch gekleurde geluid onhoudbaar de zaal in. Een ontwapendend charme-offensief tot slot, komt van de dames die zich Tres Chicas noemen. Oud Whiskeytown-voorvrouw en fiddle-iste Caitlin Cary, Tonya Lamm en Lynn Baker zijn drie lead-zangeressen die samen ook geweldig klinken. Deze gelegenheidsformatie ontstond in de dames-WC van een concertzaal waar ze ontdekten hoe goed hun stemmen mengen. Door de sporadische optredens bleef de groep een tijdlang het beste geheim van North Carolina, maar met het verschijnen van ‘Sweetwater’, hun prachtige cd, en dit optreden is dat nu wel uitgelekt. Ze verdienen tevens de prijs voor de minst elegante verschijning (lompe schoenen onder tenten van rode jurken).
|
 |
|