0 Artikel, 0,00 EUR



Gamma

De gammacurve is het verloop van zwart naar wit. In een ideale wereld is dit lineair, dus gelijke stapjes van zwart naar wit. Jammer genoeg heeft fosfor een ander verloop (niet lineair) en om dit te compenseren heeft men besloten het videosignaal bepaalde ‘boosts’ te geven. De gammacurve zorgt ervoor dat wat we zien lineair verloopt. De hedendaagse techniek maakt een recht verloop mogelijk, maar helaas is al het oude video- en filmmateriaal nog gebaseerd op de fouten van fosfor en de daarbij behorende gamma curve (2.20).
Om moderne weergevers goed te laten presteren moet ook tegenwoordig de gammacurve afgesteld worden.

Dit is niet makkelijk. Een digitale op DLP of LCD gebaseerde weergever zal flink aangepast moeten worden om toch de analoge curve te kunnen emuleren. Vaak wordt voor digitaal een curve van tussen de 2.20 en 2.55 als ideaal gezien omdat vooral bij de weergave van het zwart een digitale projector bepaalde details laat liggen. Een projector waarbij de gamma-instelling handmatig te doen is, is dan ook ideaal. Het is dan mogelijk om zelf naar smaak een curve in te stellen met waardes tussen de 2.20 en 2.55. Dit kan echter alleen met goede meetapparatuur gedaan worden.



Grayscale

Het menselijk oog ziet maar 3 kleuren, te weten rood, groen en blauw. Dit noemen we de primaire kleuren. Videobeelden zijn dan ook uit deze drie kleuren opgebouwd (in de drukkerswereld worden echter secondaire kleuren gebruikt: Geel, Magenta, Cyaan en zwart). Om bij de weergave van videobeelden een constante kwaliteit te kunnen waarborgen is ooit gekozen voor een zogenaamde CIE- of SMPTE-standaard. Dit is een ‘driekhoek’ waarin rood, groen en blauw op een exact coördinaat liggen. Dit om te voorkomen dat de ene weergever een ander groen zou weergeven dan een andere weergever. Toch wijken regelmatig projectoren van deze coördinaten af, we noemen dit ook wel ‘colorshifts’ (de kleuren zijn verschoven), en dat is ook exact wat er gebeurt. Als rood bv buiten de driehoek ligt, zal rood meer verzadigd zijn dan normaal, als rood dan ook nog eens naar ‘boven’ verschuift in deze driehoek zal al het rood wat naar geel neigen (zie hiernaast).



Omdat we dus maar 3 kleuren zien, moeten daarmee alle andere kleuren gemaakt worden waaronder dus wit en grijs. Er is een bepaalde mengverhouding waarin rood, groen en blauw wit geeft, maar dit is een groot gebied binnen de driehoek (zie illustratie). Langs dit gebied (de zogenaamde ‘blackbody-curve’) is een punt gekozen. Dit punt noemt men D6500, of 6500 graden Kelvin. De naam is geleend van Kelvin omdat deze er achter kwam dat naarmate een vuur heter werd de kleur veranderde van geel naar blauw. Vandaar ook dat als er te veel blauw in een beeld voorkomt de temperatuur hoger ligt (het gemiddelde voor een niet-gekalibreerde tv en projector ligt tussen de 8000-12000 graden). Optisch zal het beeld echter koeler lijken (te veel blauw).

Bij het afstellen van de ‘grayscale’ van een weergever zorgen we ervoor dat van zwart tot piekwit al de stapjes op of rond dit D6500-punt liggen. Hiervoor wordt een ‘coloranalyzer’ gebruikt die meet hoeveel rood, groen en blauw er in het beeld zit. We spreken over een goede meting wanneer de temperatuur redelijk recht loopt, helemaal recht op D6500 is bijna niet mogelijk. -